9. Een Stuiterende Optocht.

2 Sep

Volgende week is het kermis in Kastanje. Alle Kastanjes, groot en klein verheugen zich daar nu al op. Peter natuurlijk ook, zij heeft besloten dat ze mee gaat doen aan de wiellerronde. Een wiellerronde is hoe volwassenen een fietswedstrijd noemen. Er doen verder helemaal geen kinderen mee, maar Peter weet dat ze sneller is dan alle volwassenen in het dorp. Alleen voor de postbode moet ze misschien oppassen.

Peter heeft een oude, maar hele mooie fiets. Het is een knalgele fiets met een toeter in plaats van een bel. De fiets is vroeger van haar opa geweest, en die was havenmeester, daarom zit er een toeter op haar fiets. Als niemand het ziet praat Peter tegen haar fiets, ze denkt dat ie dan nog sneller gaat. Ze noemt haar fiets dan liefkozend Oude Schicht. Maar alleen als er niemand bij is.

Als je er over nadenkt is een fietswedstrijd helemaal niet zo moeilijk volgens Peter. Je moet gewoon zorgen dat je héél snel gaat en dan win je vanzelf. Peter fietst altijd héél snel, dus dat is een makkie, maar toch gaat ze vanmiddag nog wat oefenen in héél snel fietsen. Peter weet dat snel fietsen veel makkelijker gaat van boven naar beneden dan van beneden naar boven (maar dat weet iedereen waarschijnlijk). Dus gaat Peter met de Oude Schicht naar de heuvels buiten Kastanje om dan in één keer naar beneden de stad in te rijden.

Vanuit de heuvels ziet Peter dat ze in een rechte lijn zo de stad in kan rijden tot het plein met de burgemeesterswoning waar ze woont. Ook ziet ze dat haar vertrekpunt eigenlijk best wel hoog is. Ze haalt diep adem en springt op haar fiets. Voordat ze begint met trappen merkt ze dat ze al sneller gaat dan ze ooit gegaan is, dat begint goed! Nu begint ze te trappen en het lijkt wel alsof ze zo hard gaat als een auto, misschien wel zo hard als een sportauto. En als ze beneden bij het stadje aankomt gaat ze zo snel als een trein! Dat weet ze niet zeker trouwens, want ze weet niet hoe hard een trein gaat.

Als een gele bliksemschicht flitst Peter door Kastanje richting het plein. Het probleem als je zo hard gaat is dat sturen en remmen wel wat moeilijker gaat, zeker op zo’n oude fiets. Het lukt Peter net om een grote pluizige witte hond te ontwijken (Scheurbuik heet die hond gelooft ze) maar ze raakt daardoor een ton vol stuiterballen voor de deur van de speelgoedwinkel. Gelukkig is Peter niet gevallen en ze raast door naar beneden. Gevolgd door honderden stuiterballen! Overal komen kinderen vandaan die achter de stuiterballen aan met haar meerennen, het lijkt wel een optocht. Een stuiterende optocht! (Kinderen die achter stuiterballen aan rennen, stuiteren zelf ook altijd een beetje, let er maar eens op)

Peter bereikt het plein en eindelijk lukt het haar weer om te remmen. Aan alle kanten wordt ze ingehaald door stuiterende kinderen en balletjes. De chaufeur van een passerende geldwagen weet niet wat hij ziet en knalt van de schrik tegen een lantaarnpaal. Door de botsing breekt zijn achterdeur open en waaien de bankbiljetten over het plein. Peter probeert haar fiets nog overeind te houden tussen het rondvliegend geld en de stuiterballen, maar rijdt zo in de struiken in haar voortuin. Met een smakt vliegt ze van haar fiets. Ondertussen zijn alle volwassen Kastanjes tevoorschijn gekomen en graaien ze naar het rondvliegend geld tussen de stuiterende kinderen. Peter krijgt bijna de slappe lach van het schouwspel op het plein. Maar dan kijkt ze naar haar fiets en ziet dat haar voorwiel zo krom is als een hoepel. Daarmee kan ze natuurlijk nooit de wielerronde winnen… Peter kan wel janken, maar dat doet ze niet, want janken vindt Peter niet horen.

2 Sep
Leidsch Dagblad 2 september 2011

Leidsch Dagblad

8. Een Gruwelycke Geschiedenis

18 Aug

Kastanje, lang geleden, misschien wel honderd jaar. Inmiddels was de stemming bij Wimpie in huis gelukkig weer verbeterd. Burgemeester La Chaîne had natuurlijk niet gemeend dat hij wilde dat Wimpie werd opgehaald door de Poepogen en begreep ook wel dat alle chaos van de vorige dag niet de schuld van zijn zoontje kon zijn. Wimpie was ondertussen behoorlijk nieuwsgierig geworden naar die Poepogen waar hij nu al twee keer van gehoord had. Het was hem ook opgevallen dat alle volwassenen stil werden als iemand ‘Poepoog’ zei…

Die avond zocht Wimpie zijn vader op in de studeerkamer. Zoals je begrijpt had de burgemeester een prachtige studeerkamer met een antiek bureau en natuurlijk een hele grote boekenkast vol met boeken over van alles (en nog wat). ‘Wat zijn Poepogen?’ vroeg Wimpie aan zijn vader. De burgemeester keek op uit zijn belangrijke paperassen en zuchtte…. ‘Goed,’ sprak hij ‘je bent nu wel oud genoeg om de gruwelijke geschiedenis van Poepoog te horen. Het speelde zich af in de Middeleeuwen en het is waarschijnlijk opgeschreven door onze voorouder de ridder La Chaîne die onze mooie stad gesticht heeft.’. De vader van Wimpie rommelde wat in een laatje en haalde een prachtig versierd houten kistje te voorschijn. Hij opende het kistje en haalde er een heel oud stuk papier uit. Hij zette z’n bril op en begon voor te lezen…

(Het is niet de schuld van de burgemeester dat er zoveel moeilijke woorden in dit verhaal zitten, de mensen in de Middeleeuwen spraken nu eenmaal met veel moeilijke woorden.)

Beste boeren, burgersch en buytenluy van de schone stadt Castagne. Laat deze gruwelycke geschiedenis voor een ieder een waarschuwing zyn. In de winter toen de dagen korter werden geschiedde het. Alle lieden in onsch stadtje hadden heibel en akkefietjes met elkander en de nachten waren guur. De inwonersch van Castagne kijfden overhaardhout, balkenbrij en erwtensoep en maakten elkander om het minste geringschte uit voor rotte visch. Zo wasch het voor de jongste kindersch van Castagne dan ook weinig genoeglijk in de stad. Ik probeerde het volk tot tucht te manen toen op een vreselijcke dag mijn enige zoon verdween uit onze stadt. Velen dagen ende vele nachten heb ik om hem getreurd.

Toen het enen ochtend nog killer en guurder wasch dan voorheen kwam een herder uit den heuvelsch naar de stad gesneld schreiend dat hij een monster had gezien. En dat monster had zyn zoon meegeroofd. Een monster zo groot als een woudreusch, met een gewei van hertebock. Een monster met klauwsels gelyck die van een wolf of leeuw. Een monster dat stonk naar stront van duyzend varkensch! Het monster had midden in zyn gesicht een vlammend oog en had geroepen dat hy de Poepoog wasch!

‘Ik ben de Poepoog en ik kom voor de kindersch! Alle kindersch van Castagne zijn voor mij!’

In de vreschelijk dagen daarna verdwenen steedsch meer kindersch uit onze stadt en verschenen er steeds meer Poepogen in de heuvelsch. De moeders van Castagne weenden de gansche dag en de vaders vonden dat zy moesten ingrypen…

Op een sekere nacht verschenen de Poepogen aan de rand van de stadt en dansten om de muren heen terwyl zy zongen ‘Het kiften kost u kindersch! Het kiften kost u kindersch! U vindt ze toch maar hindersch?’. In grote angst liep……

Hier stopte de burgemeester met vertellen, want het onderste stuk papier was afgescheurd en ontbrak. En Wimpie? Die wilde vanaf nu alleen nog maar weten hoe de gruwelijke geschiedenis van Poepoog was afgelopen. 

7. Scheurbuik

16 Aug

Scheurbuik is de hond van Sok. Scheurbuik is een hele grote, pluizige witte hond met flaporen en blauwe ogen. Sok heeft Scheurbuik voor z’n verjaardag gekregen toe hij nog heel klein was en sindsdien zijn ze onafscheidelijk. De dag dat Scheurbuik bij de familie Siepel in huis kwam sprong hij meteen tegen iedereen op en begroette hij de Siepels met een natte lik in het gezicht. ‘Wat een monster,’ giechelde zijn moeder toen, ‘hij lijkt wel een scheurbuik!’. Daar moesten alle Siepels vreselijk hard om lachen en daarom heet Scheurbuik nu Scheurbuik. Maar hij luistert ook naar Buik.

Veel Kastanjes denken dat Scheurbuik een vreselijk gevaarlijke hond is. Dat komt natuurlijk door zijn naam. De broers van Sok, Piet en Dirk vinden het heel grappig dat iedereen dat denkt. Ze vertellen graag vreselijke verhalen aan de kinderen in de stad. ‘Als je in z’n buurt komt knaagt ie zomaar je been eraf.’ bijvoorbeeld. Of ‘Hij heeft wel eens een postbode opgevreten, we hebben alleen nog z’n pet en een paar botjes gevonden.’. ‘Als Scheurbuik tegen je aanspringt kan hij met één hap je hoofd eraf bijten!’.

Het is dus niet zo heel vreemd dat veel Kastanjes bang zijn voor (de eigenlijk heel erg lieve) Scheurbuik. En sinds het spaghetti-incident van een paar jaar geleden gelooft bijna iedereen dat Scheurbuik een monster is. Ze hadden die middag spaghetti bolognese gegeten, het lievelingseten van Sok. De Siepels eten vaak warm tussen de middag, en die middag dus ook. De vader van Sok lust graag een stevige maaltijd, want het is hard werken op de boerderij, en mevrouw Siepel maakt dus altijd een hele hoop eten en soms zelfs te veel. Na de maaltijd had iedereen haast die dag. Pa Siepel moest weer aan het werk en mevrouw Siepel had een afspraak in de stad. En de kleine Siepels waren zelfs bijna te laat voor school. Dus besloot moeder Siepel dat ze voor één keertje de afwas en de pan met saus op tafel lieten staan.

Toen Sok en zijn klasgenootjes die middag speelkwartier hadden hoorde Sok opeens geblaf in de verte en zag hij dat z’n vriend Buik aan kwam hollen. Iemand was zeker vergeten het tuinhekje dicht te doen. Opgewonden sprong Scheurbuik met een rode bek heen en weer tussen de kinderen en gaf ze allemaal een lik waardoor iedereen opeens een rood gezicht had, het leek wel bloed! De juffen wisten niet wat ze zagen en er viel er zelfs eentje flauw. Maar ook de meesters durfden niets te doen tegen dat gevaarlijke beest terwijl de bloedspetters in het rondvlogen. De politie werd gebeld, de brandweer kwam erbij maar niemand durfde in te grijpen. Zelfs burgemeester Ducdalf werd erbij gehaald en die wilde al bijna het leger bellen. En de marine, voor de zekerheid.

Sok pakte Scheurbuik bij z’n halsband en kriebelde hem achter z’n oren (want dat vinden honden heerlijk). Buik keek vrolijk om zich heen en vond het maar een vrolijke boel met al die mensen op het schoolplein. Ondertussen was ook Pa Siepel aangekomen bij de school en die barstte in lachen uit ‘Stelletje bangeschijters! Jullie hebben zeker nog nooit een hond met een snuit vol spaghettisaus gezien!’.

6. Plofneus

9 Aug

Kastanje lang geleden, misschien wel honderd jaar. Aanvankelijk was Wimpie erg blij dat hij de viswedstrijd -met een flinke klap- gewonnen had. Maar toen wist hij nog niet dat hij overal de schuld van zou krijgen….

De volgende dag draaide slager Siepel met een chagrijnig gezicht en een rode clownsneus zijn worsten en veegde havenmeester Ducdalf met een clownsneus de kade terwijl hij mopperde tegen iedereen. ‘Die overgehaalde slavink van een Siepel lacht zich rot om m’n neus. Ik sta voor schut in de haven terwijl hij in z’n slagerij karbonaadjes staat te braden.’ Siepel dacht daar natuurlijk heel anders over, want hij werd door alle klanten uitgelachen. ‘Ik sta voor aap met m’n rode neus en ondertussen vertelt die paling van een Ducdalf waarschijnlijk aan iedereen dat hij de beste visser van de stad is.’ gromde hij voor zich uit. Ondertussen had hij niet door dat juffrouw Zwijmel, voor de toonbank stond terwijl ze heel hard probeerde niet te giechelen. Juffrouw Zwijmel (een kleuterjuf om precies te zijn) proestte uit: ‘U ziet er schattig uit slager, heeft u voor mij een onsje plofneus?’ en daarna schoot ze in de lach. ‘Nee, doe maar liever een potje stomkop of een bakje oelewapper!’ gierde ze. Slager Siepel had het gevoel dat hij in de maling genomen werd en keek haar verontwaardigd aan. Schuddebuikend van het lachen joelde juf Zwijmel ‘Ik weet het! ik weet het! ik wil graag een pond blauwbilgorgel!’. De slager was het helemaal zat en riep dat ze nu de winkel uit moest anders zou haar wel eens laten zien hoe je zwijmelpasteitjes maakt. Geschrokken en boos snelde de kleuterjuf de winkel uit terwijl ze iets mompelde over ‘niet tegen een grapje kunnen’. Voor slager Siepel wat dit de druppel die de emmer deed overlopen en terwijl juf Zwijmel de slagerij verliet gooide hij woedend een gehaktbal tegen haar nieuwe roze hoedje. Juf Zwijmel beende met een verontwaardigde blik richting de kleuterschool en besloot voorlopig allen maar beschuitjes met jam te eten.

Ondertussen voer in de haven een groot vrachtschip vol met broodnodige spullen naar binnen. De kapitein speurde naar een plekje waar hij zijn schip kon afmeren want het was behoorlijk vol in de haven. ‘Hallo clowntje!’ riep de kapitein naar havenmeester Ducdalf, ‘Wil je misschien even de havenmeester roepen zodat ik mijn schip kan aanmeren en m’n belangrijke lading kan lossen?’. ‘Ik ben de havenmeester’ stamelde Ducdalf met z’n rode neus midden op z’n gezicht. ‘U kunt hier aan het begin van de kade aanleggen, maar dan moet u niet te veel vaart maken.’. De kapitein besloot dat hij geen aanwijzingen van een clown op kon volgen en maakte voor de zekerheid maar een beetje extra vaart om een plekje aan het einde van de kade te zoeken. Havenmeester Ducdalf sprong op en neer en riep naar de kapitein ‘Niet zo snel! Hier aanleggen, daar aan het einde ligt het al vol met bootjes!’. Bij het zien van zo’n druk springend clowntje schoot de kapitein in de lach en riep hij terug naar de kade: ‘Niet zo opgewonden doen clowntje, ik zoek zelf wel een plekje’ Ondertussen had hij een hoop lol om de springende clown met de pet van een havenmeester, maar niet in de gaten hoe hard zijn schip opstoomde…. Een hoop gekraak en woeste golven waren het gevolg terwijl zijn schip zich in de bootjes boorde die aan de wal lagen. Roeibootjes rolden in het rond, visserschepen kapseisden en het zeiljacht van burgemeester La Chaine werd dwars door het midden in tweeën gevaren. Een meeuw slaakte een klein gilletje, en toen werd het stil.

Later die ie dag had Juf Zwijmel ruzie met de kleuters en de kleuters kregen ruzie met hun ouders. De slager had natuurlijk nog steeds ruzie met de havenmeester, en de havenmeester had ruzie met de kapitein van het vrachtschip. De vissers waren boos op de havenmeester en alle andere Kastanjes vonden ook al snel een reden om ruzie met elkaar te maken. En iedereen vond uiteindelijk dat het de schuld was van Wimpie. Want Wimpie had de viswedstrijd gewonnen waar het allemaal mee begon. Alle boze Kastanjes stonden op de stoep bij de burgemeester om verhaal te halen op deze dag dat heel Kastanje ruzie had. Die zoon van hem had er een zooitje van gemaakt en moest maar eens goed worden toegesproken. De burgemeester begreep nog niet helemaal wat er aan de hand was, maar zag wel dat er een hele hoop aan de hand was. Toen een paar Kastanjes riepen dat zijn zeiljacht gezonken was door die ophitser van een Wimpie betrok zijn gezicht en ging hij naar binnen terwijl hij met een knal de deur achter zich dichttrok. Eenmaal binnen pakte hij Wimpie bij kop en kont terwijl hij brulde ‘Je bent een ruziemaker, een ophitser, een botensloper en een nergensgoedvoor! Ik hoop dat de Poepogen je komen halen!’.

Nieuwsgierig

4 Aug

Nieuwsgierigheid zit in de aard van het beestje. Nu de eerste vijf hoofdstukken online staan, en daarmee ook wel het fundament om nu echt aan het avontuur te beginnen, ben ik toch even benieuwd wat jullie nou het leukste hoofdstuk tot nu toe vinden. Dus laat het me weten!

Wouter

5. Sok

2 Aug

Sok is de jongste zoon van de familie Siepel. Sok houdt van spelen in de tuin van de boerderij van zijn ouders en op avontuur gaan met zijn hond Scheurbuik. Sok en Scheurbuik zijn allebei gek op spaghetti. Vooral met bolognesesaus.

De meeste Kastanjes denken dat Sok niet zo goed kan praten. Dat komt omdat hij meestal alleen maar ‘ja’ of ‘misschien’ zegt. Dat betekent natuurlijk niet dat Sok niet kán praten. Sok kan prima praten. Hij weet woorden die zelfs veel volwassenen niet kennen. Zoals bijvoorbeeld oelewapper, lijzebet en clignoteur (ken je die woorden niet? Vraag het dan maar eens aan een volwassene…).Hij houdt gewoon niet van praten. Sok praat alleen tegen zijn vriend Koos Ketting, de oude fietsenmaker en tegen zijn hond Scheurbuik natuurlijk. Verder vind Sok praten maar gedoe waar meestal ruzie van komt. Wij weten natuurlijk dat er heus niet altijd ruzie komt van woorden, maar wij hebben dan ook niet de broers van Sok. Piet en Dirk zijn een paar jaar ouder dan Sok. Als je Piet ziet zie je Dirk en als je Dirk ziet zie je Piet. En altijd als je Piet en Dirk ziet, zijn ze aan het kibbelen, stoeien of bekvechten

Toen Sok een paar weken oud was had hij het luisteren al aardig onder de knie. Praten deed hij nog niet maar de meeste woorden die hij hoorde boven zijn wiegje begreep hij prima. Zijn moeder zei lieve woordjes tegen hem als ze hem knuffelde, en zijn vader vertelde aan het bezoek hoe trots hij was op zijn gezonde jongste zoon. Zijn twee oudere broers, Piet en Dirk, waren meestal een beetje aan het bekvechten over speelgoed en snoep, daarvan leerde Sok de woorden van die je eigenlijk niet hoort te gebruiken.

Piet en Dirk vonden het hartstikke interessant dat ze nu een jonger broertje hadden, en wilden graag met hem spelen. Dat kon natuurlijk niet, want Sok lag nog in de wieg. Maar alvast plannen maken dat kon natuurlijk wel. ‘Ik ga een vlot bouwen met Sok en dan piraten wegjagen op de rivier.’ zei Piet. ‘Dat is saai’ zei Dirk ‘Sok en ik maken een grote katapult om rotsen te schieten naar de reuzen in de heuvels!’. Sok keek omhoog uit zijn wiegje en vond eigenlijk allebei de ideeën wel spannend klinken. ‘Reuzen?’ schaterde Piet, ‘reuzen in de heuvels van Kastanje? Je hebt zeker te lang in de zon gezeten, mafkees!’. Dat liet Dirk zich natuurlijk niet zeggen; ‘En piraten op de rivier, daar wemelt het hier zeker van? Je bent een stinkende zeekomkommer! Sok keek omhoog uit zijn wieg en het viel hem op dat zijn broers een steeds roder gezicht kregen. ‘Zeekomkommer? Pff! Jij lijkt op een keutel van zo’n reus uit de heuvels van je!’ riep Piet. ‘Jij stinkt niet alleen als een zeekomkommer,’ antwoordde Dirk ‘je ziet er ook nog eens uit als een uitgewrongen rivierkwal!

 Sok had al vaker meegemaakt dat zijn broers ruzie maakten rond zijn wieg en zwaaide met zijn rammelaar om de aandacht van zijn moeder te krijgen. Op dat moment griste Dirk de rammelaar uit zijn handen en gaf hij zijn broer Piet er een peut mee op zijn neus, Piet vloog over de wieg heen en landde bovenop Dirk. En voordat Sok begreep wat er allemaal gebeurde hingen zijn broers allebei aan een oor te bungelen in de grote handen van pa Siepel. Piet met een bloedneus en Dirk met een blauw oog. En dat was de dag dat Sok besloot dat praten iets is dat je maar beter zo min mogelijk kunt doen…